Nieuwe bedreigingen

Het is even schrikken als u deze titel leest. Het is nog niet zover, maar er kunnen twee nieuwe soorten bladsprietkevers aankomen. De larven van bladsprietkevers worden engerlingen genoemd zoals we die kennen van de rozekever, sallandkever en dergelijke soorten. Het gaat om één invasieve soort en een soort die zijn gebied naar het noorden lijkt uit te breiden.

De soort die zijn gebied naar het noorden lijkt uit te breiden is de zuidelijke junikever (Europese kever) (Amphimallon majalis, die ook wel bekend staat onder de geslachtsnaam Rhizotrogus). Zoals de alternatieve naam reeds aangeeft heeft deze kever een Europese verspreiding. Deze soort komt vooral voor in het midden en zuiden van Europa, maar is de laatste jaren ook waargenomen in België en een paar onbetrouwbare meldingen uit Nederland. De kever lijkt erg veel op de bij ons bekende junikever en de bijbehorende engerling is eveneens lastig te onderscheiden van de engerling van de junikever. Het is een bekend fenomeen dat populaties zich gedurende een aantal jaren kunnen uitbreiden vanuit hun centrale verspreidingsgebied. Meestal blijven ze dan vele jaren in hun ‘grensgebied’ waarna ze zich dan weer terug trekken. Het voorkomen van de meikever is hiervan een bekend voorbeeld (zie ‘Handboek grasveldinsecten’). In de Verenigde Staten is het een bekende en schadelijke soort die rond 1940 daar terecht is gekomen. Het lijkt dan ook niet de vraag of, maar vooral wanneer deze soort ons land bereikt. In tegenstelling tot de monofage junikever leeft deze kever niet alleen op grassen, maar ook op diverse boomkwekerijgewassen. Over de bestrijding is veel bekend geworden vanuit Amerika. Parasitoïden zoals een Tiphia soort is met succes vanuit Europa in Amerika ingevoerd. Deze zou van nature de Europese populaties kunnen onderdrukken; hier komt alweer het belang van een rijke en gevarieerde wilde flora zoals wilde peen tevoorschijn. De kevers vliegen in de avondschemering, dus kunnen ze een prooi vormen voor vleermuizen. De kevers kunnen worden gelokt met een mengsel van citronella olie en eugenol. Ze komen af op het licht van de zogenaamde ‘blacklight’ lampen.

Een andere soort is de Japanse kever (Popillia japonica). Die is rond 1916 in Amerika ingevoerd en heeft zich op dat continent razendsnel uitgebreid met veel schade tot gevolg. In de vijftiger jaren van de vorige eeuw werd gevreesd voor het meeliften met vliegtuigen vanuit Amerika en werd ook in Nederland aandacht gegeven aan dit verschijnsel. Het is er toen niet van gekomen, maar recent is nu de soort in Italië gesignaleerd. In het noorden van Italië, in de omgeving van Turijn, is de Japanse kever in 2015 ontdekt in grasvelden. Vermoedelijk zijn de engerlingen meegekomen met plantmateriaal met aanhangende kluit. Het feit dat ze nu al een populatie gevormd hebben die schade veroorzaakt betekent dat ze er al minstens vier jaar aanwezig moeten zijn. De eerste jaren na introductie worden ze nauwelijks of niet opgemerkt, maar de populatie ontwikkelt zich gedurende de volgende vier à vijf jaar. De volwassen kever lijkt enigszins op onze rozekever met een lengte van 8-11 mm en een breedte van 5-7 mm. Ze zijn daarmee iets ‘vierkanter’ dan de rozekever. Opvallend zijn de zes witte plukjes haar aan weerszijden van de dekschilden en een wit plukje op het juist zichtbare deel van het achterlijf dat net iets uitsteekt achter de dekschilden. De engerling is een karakteristieke engerling zoals wij die kennen van de hier voorkomende soorten. De engerlingen leven van de wortels van een groot aantal grassoorten en doen hierbij de ‘bekende’ engerlingenschade. De kever vreet aan een groot aantal soorten bomen en struiken. Bij deze kevervraat wordt veel schade aangericht, vooral aan bloeiende planten zoals rozen, maar ook ernstige bladvraat. De schade beperkt zich dus niet uitsluitend tot grasvelden! De Japanse kever heeft één generatie per jaar, maar in koelere gebieden kan het voorkomen dat één generatie zich ontwikkelt in twee jaar. Dit verschijnsel doet zich bij meer soorten voor zoals de meikever die zich in drie jaar ontwikkelt, maar soms in vier jaar. Omdat de Japanse kever in Noord Amerika voorkomt tot in de koelere delen van Canada is de verwachting dat ze zich in Nederland uitstekend kunnen handhaven. Evenals bij de vorige soort geldt dezelfde zin: ‘het lijkt dan ook niet de vraag of, maar vooral wanneer deze soort ons land bereikt’. Vooral door het intensieve verkeer tussen Noord Italië en onze streken is dit niet denkbeeldig. Naar verwachting zullen de kevers hier rondvliegen aan het eind van juni en het begin van juli. Een bestrijding kan gedaan worden met behulp van insecten-parasitaire nematoden (aaltjes). Het is mogelijk dat een van de drie Tiphia soorten een rol kan spelen in de populaties van de japanse kever.

Alle informatie over grasveldinsecten en hun beheersing vindt u in het ‘Handboek grasveldinsecten. Ecologie en beheersing’, door Henk Vlug. Te bestellen bij Wageningen Academic Publishers. ISBN:978-90-8686-250-4.

 

 

 

 

 

X